Toen de Boeddha ongeveer 2500 jaar geleden onder de Bodhiboom in Bodhgaya ging zitten en zijn eigen geest onderzocht, kwam hij tot een heel belangrijke ontdekking. Over deze ontdekking gaat deze blog. Bereid je voor op een diepgaand onderzoek van je eigen geest.
Nog voordat de Boeddha onder de Bodhiboom ging zitten had hij zich aangesloten bij een aantal ascetische monniken die leefden van heel weinig eten en drinken en die zich bijna de hele dag bezig hielden met het onderzoeken van hun eigen geest door middel van meditatie. Ook de boeddha, toen nog niet verlicht, zat de hele dag te mediteren. Op een dag hoorde hij een sitar leraar aan één van zijn leerlingen uitleggen hoe je de snaren van een sitar moet spannen. ‘Wanneer je de snaren te strak spant, krijg je er geen geluid uit en heb je kans dat de snaren breken’, zei de leraar. ‘Wanneer je de snaren te slap spant, komt er sowieso geen geluid uit’, vervolgde hij. Toen de boeddha dit hoorde, begreep hij dat hij verkeerd bezig was. Hij at bijna niet, dronk bijna niet en was de middenweg kwijt geraakt. Hij had de snaren van zijn spirituele beoefening te strak gespannen en op deze manier kon hij nooit de verlichting bereiken waar hij naar zocht. Het verhaal gaat dat de boeddha direct opstond, naar de rivier liep, zich waste en zelfs een kom elk aannam van een vrouw die hem deze kom melk aanbood. De andere spirituele zoekers, met wie de boeddha jaren had gemediteerd, verafschuwden zijn handelen en jaagden hem weg.
De boeddha trok alleen verder en bereikte Bodhgaya. Hier ging hij onder de Bodhiboom zitten en na een aantal nachten daar gezeten te hebben ontdekte de Boeddha iets wat hem tot totale verlichting zou brengen. De Boeddha zag in dat als hij op zoek ging naar wie hij was, je heel veel kon zeggen, maar niets van wat hij zei, was hij werkelijk. De Boeddha kon over zichzelf zeggen dat hij man was, of mens, of spiritueel zoeker, of zoon, of vader of wat dan ook en niets duidde met grote precisie aan wie hij was. Hij was niet zijn gedachten of gevoelen, hij was niet zijn emoties of gedragingen, hij was niet zijn lichaam of zijn intelligentie. Wat was hij dan wel? De Boeddha zag op heel diep niveau in dat wie hij was, niet benoemd kon worden.
Er is geen ‘ik’ aan te wijzen, al hebben we allemaal wel een ‘ik’ gevoel.
Toen onderzocht de Boeddha verder en zag hij dat ook al het andere niet als losstaande entiteiten te benoemen zijn. Als hij naar een boom keek, dan kon hij de boom een naam geven, of zien dat de boom met zijn wortels verankerd stond in de aarde, maar dat gaf de boom nog geen ‘entiteitschap’. De Boeddha besefte dat de boom er over 500 jaar mogelijk niet meer zou zijn. Hij zag in dat dit met alles zo is. Al het ‘bestaande’ heeft de kwaliteit dat het samengesteld is uit deeltjes en tussen die deeltjes zit ook weer oneindig veel ruimte. Het is belangrijk om te beseffen dat alles samengesteld is en dus afhankelijk van al het andere. Al het bestaande is verbonden met elkaar. Er is nergens een losstaande entiteit te vinden. In onze geest ‘denken’ we onszelf of de boom vaak los uit de omgeving. Maar dit is een schijnwerkelijkheid. In werkelijkheid is alles met elkaar verbonden en uiterst afhankelijk van elkaar. Als laatste: er is niets dat permanent bestaat. Alles wat is samengesteld, zal ook ooit weer uit elkaar vallen.
We duiden deze drie eigenschappen aan met de woorden: samengesteld, in verbinding met al het bestaande en niets bestaat voor altijd.

In Zijnsoriëntatie is, net als in het Dzogchen Boeddhisme, het beginpunt van de beoefening hetzelfde als het eindpunt. Het begin- en eindpunt zijn: het zicht dat alles voortdurend veranderd (impermanent is), samengesteld is (niet-een-ding) en altijd in verbinding met al het bestaande (interconnected). Deze drie eigenschappen worden vaak aangeduid met het woord ‘leeg’. Nu hebben de woorden ‘leeg of leegte’ voor ons een beetje vervelende bijsmaak. Bij het woord ‘leeg’ denken wij snel aan een leeg glas…. en dan is er niets meer. Dit is niet wat er vanuit de boeddhistische traditie bedoeld wordt. Leeg wil in deze visie zeggen: alle vormen zijn altijd in verandering (alles mogelijk), impermanent, altijd verbonden met al het bestaande en samengesteld.
Wanneer je ziet dat alles ‘leeg’ is, wordt gezegd dat je ’the view’ hebt, het zicht. Je hebt zicht op het feit dat alles wat in jouw geest verschijnt, opkomt, een tijdje verwijlt en dan weer zal verdwijnen. De grond van jouw geest of bewustzijn geeft ruimte om alles te laten verschijnen, verwijlen en verdwijnen, zonder dat deze zelf ooit in beweging komt. De grond van jouw bewustzijn geeft ruimte aan alles wat verschijnt, verwijlt en weer verdwijnt, zonder daar oordelend naar te zijn. Dit is een ander belangrijk deel van het zicht, de view.
In de view, het non-duale zicht, zijn twee inzichten ven groot belang:
1. je ziet dat de grond van jouw bewustzijn van zichzelf niet beweegt, geen kleur heeft, geen vorm en dat deze toch ruimte geeft aan alle vormen om te verschijnen, te verwijlen, en te verdwijnen. Bewustzijn is oneindig, kent geen grens, is lumineus, dat wil zeggen dat het ‘weet’. Als jij naar een boom kijkt, dan weet je dat je naar een boom kijkt, zonder dat je daar ook maar enige inspanning voor hoeft te doen. Het is uiterst bijzonder dat dit kan, want daardoor kunnen we ervaren.
2. de vormen die verschijnen in jouw bewustzijn zijn allemaal ‘leeg’. Dit wil zeggen dat ze impermanent zijn, samengesteld en in verbinding met al het bestaande.
Laten we nog wat langer stil staan bij bewustzijn zelf. Zoals ik hier boven aangeef, heeft bewustzijn 2 kwaliteiten. De ene kwaliteit is dat ons bewustzijn volkomen roerloos en het is oneindig. Het komt van zichzelf niet in beweging, tegelijkertijd kent het geen grens. Dit is de eerste kwaliteit. Het geeft ruimte aan alles om in te verschijnen. Bewustzijn wordt om die reden wel vergeleken met een spiegel of met de wateroppervlakte van een rimpelloos meer. Wanneer je in een spiegel kijkt, dan reflecteert de spiegel jouw spiegelbeeld, zonder dat de spiegel zelf in beweging komt. Een rimpelloos meer spiegelt de zon overdag en de maan en de sterren in de nacht. Deze reflecties kunnen verschijnen, zonder dat de spiegel of het meer daarvoor iets ‘doen’. De reflecties verschijnen, verwijlen en verdwijnen.
De tweede kwaliteit van onze geest is dat hij ‘wetend’ is, ook wel ‘kennend’, ‘helder’ of ‘lumineus’ genoemd. Deze kwaliteit laat ons zien dat als we een glas water optillen we zonder enige moeite weten dat we een glas water optillen. Het kennende aspect van onze geest in een soort inherent weten. We hoeven het niet te leren, het is spontaan aanwezig. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laten is dit kennende vermogen aanwezig. Hierdoor kunnen we het hele spel van waarnemingen ‘waarnemen’.

Wanneer we wat langer stil staan bij de spiegelingen in de spiegel, dan kunnen we het volgende constateren. In ons normale dagelijkse bewustzijn, nemen we waar en geloven we dat datgene wat we waarnemen ‘echt’ bestaat. Wanneer ik naar een glas water kijk, dan ervaar ik het glas water als ‘echt’. Ik zie niet dat zowel het glas als het water reflecties zijn in de spiegel van mijn geest. Nog het glas heeft een eeuwig leven, noch het water bestaat voor altijd, laat staan dat ik zelf voor altijd besta. Niets in mijn ervaring is dus permanent, ‘echt’. Met andere woorden, mijn normale dagelijkse bewustzijn neemt gestold waar.
Wanneer ik vanuit de view naar hetzelfde glas water kijk, dan zie ik dat er in mijn bewustzijn een glas water is verschenen. In de spiegel staat opeens een glas water. Deze zal een tijdje in mijn bewustzijn verwijlen en het glas water zal ook weer verdwijnen. Er is niets permanent aan het glas water.
Boeddhisten vinden het uiterst belangrijk om dit te zien. Waarom? Omdat je daarmee de kostbaarheid gaat ervaren van elk moment. Op dit moment is er een glas water. Ik hoef niet aan het glas water te hechten, dat kan ook niet, want het zal ook weer verdwijnen. Toch kan ik nu genieten van water. En zo is het met alles waar we naar verlangen. We kunnen nergens aan hechten en toch kunnen we wel genieten van alles wat verschijnt. Een broodje kaas, een zonnige dag, een mooi gesprek, een liefdevol gebaar etc.
Tegelijkertijd zie je dat omdat je niet kunt hechten en omdat alles altijd weer verandert, je ook niet bij de pakken neer hoeft te gaan zitten als het een dagje minder mooi weer is, je jonge kaas op je broodje hebt, terwijl je zo van oude kaas houdt of dat je een minder makkelijk gesprek hebt met je puberende zoon. Ook hier zal alles veranderen.
De boeddhistische en Zijnsgeoriënteerde oefening is om te leren dansen tussen het Absolute en Relatieve. Daarmee wordt bedoeld dat je ziet dat alles wat verschijnt leeg is: het verschijnt, verwijlt en verdwijnt, het is impermanent, met alles verbonden en samengesteld. Tegelijkertijd kun je met alles wat verschijnt uiterst respectvol omgaan, omdat het zich wel aan je toont. Op relatief niveau maakt het uit of je gaat vloeken tegen je puberende zoon of dat je je best doet om zo waarachtig mogelijk met hem in gesprek te zijn.
Padmasambhava zei: ook al weet je dat alles wat verschijnt leeg is, dan nog handel je met een verfijndheid van versgemalen meel. Oftewel, je handelen is uiterst precies, zelfs al zie je dat niets ooit permanent zal bestaan. Dit is de dans tussen Absoluut en Relatief.

